Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan – in de klas

Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan, de spannende familieroman van Louis Couperus uit 1906, is nu hertaald. Geen zin is geschrapt, spanning en psychologisch drama blijven overeind. Het boek is – in origineel óf in hertaling – zeer geschikt voor de leeslijst en literatuurles. Docenten kunnen een keuze maken uit de opdrachten en informatie hieronder om er klassikaal of individueel mee aan de slag te gaan.

Aanwijzing voor de docent: lees vooraf de opdrachten en informatie hieronder door en maak een keuze voor je leerlingen. Er is geen handleiding of antwoordmodel, neem contact op als je vragen hebt.

Het Word-document hieronder is gelijk aan de website, alleen zijn enkele downloads als bijlage toegevoegd. Je kunt hiermee een eigen selectie aan opdrachten samenstellen wanneer je dat voor leerlingen handiger vindt. Bedenk wel dat er diverse links in de tekst staan, een papieren versie werkt niet volledig voor alle opdrachten.

Van oude mensen – opdrachten in Word

Wie was Louis Couperus?

Lees de volgende pagina’s over het leven en werk van Louis Couperus en maak de opdracht erbij. Zo leer je deze bijzondere schrijver beter kennen.

Opdracht: wie was Louis Couperus?

Deze opdracht maak je:
voor het lezen van de roman (vraag 5, 6, 7 na het lezen)
klassikaal / individueel

  1. Zoek op wat de volgende woorden betekenen zodat je de teksten beter begrijpt: gages, feuilletons, gezapigheid, eunuch, zwierig, fin de siècle, oververfijning, decadentie, dandy, kosmopoliet, overdadig, vermaard, gegoede kringen, mondain, om den brode, perikelen, oeuvre, neologismen, archaïsmen, contemporaine.
  2. Hoe oud was Couperus toen hij in Nederlands-Indië leefde? Waarom woonde hij daar?
  3. Op de pagina van het Literatuurmuseum staat: ‘Dit huwelijk van de homoseksuele Couperus met zijn familielid, die zich haar hele leven, zichzelf wegcijferend, voor hem en zijn werk heeft ingezet, is vermoedelijk niet geconsumeerd.’ Wat is dat: ‘het huwelijk consummeren?’ (Eigenlijk kan dit helemaal niet vastgesteld worden! Maar zeker is dat Couperus en zijn vrouw geen kinderen hebben gekregen.)
  4. Klik de pagina’s nu weg en probeer voor jezelf het volgende noteren:
    • vijf woorden die Louis Couperus als persoon typeren;
    • vijf woorden of woordgroepen die zijn werk typeren, dus waar gaan zijn boeken over?
  5. Na het lezen van de roman: Welke overeenkomsten zie je tussen het leven van Louis Couperus en zaken in de roman Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan? Let daarbij vooral op het karakter van Lot.
  6. Op de pagina van Literatuurgeschiedenis staat: ‘Daarnaast spreken de bijfiguren uit de romans tot de verbeelding.’ Aan welke bijfiguren uit Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan denk jij dan het meest? Noem er twee.
  7. Op de pagina van het Literatuurmuseum staat het literaire werk van Couperus ingedeeld in verschillende genres. Tot welk genre behoort Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan?

Introductie Van oude mensen

Bekijk circa één minuut van onderstaande video (van 16:50-18:00) voor een snelle en korte introductie van Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan, door Michelle van Dijk, die de hertaling van het boek maakte.

De naturalistische roman

Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan wordt gezien als een naturalistische roman.

Het naturalisme is een stroming in de literatuur die opkwam in Frankrijk rond 1870. Schrijvers in Europese landen hadden veel invloed op elkaar en al snel werd deze stroming ook ontdekt in Nederland. De Franse schrijver Émile Zola (1840-1902) was voorbeeld en inspiratiebron voor vele anderen.

Wat is het naturalisme? In de negentiende eeuw werd wetenschap steeds belangrijker en ook de psychologie kwam op. Het werd dus gebruikelijker om de psyche van de mens te bestuderen: waarom doen wij wat we doen? Volgens het naturalisme zijn er omstandigheden die het karakter en de daden van een mens bepalen: determinerende omstandigheden. Waar jij geboren bent, in welk gezin, welke sociale klasse en in welke tijd, tot welk geslacht en ras je behoort, welke erfelijke eigenschappen je erft… dat zou allesbepalend zijn, dacht men toen. En als twee mensen zeer uiteenlopende omstandigheden hadden gehad in hun leven, dan kon een ontmoeting of relatie alleen maar op problemen uitlopen.

Een schrijver kon in zijn verbeelding als in een soort laboratorium spelen met dit idee. Als je romanpersonages van verschillende komaf, maar bepaald door die achtergrond, bij elkaar brengt, wat gebeurt er dan? Een naturalistische roman was het verslag van die ‘wetenschappelijke studie’. Vaak las je hierin dus niet het mooiste van de mens; de geschiedenissen liepen dan slecht af. Er is een botsing tussen idealen die de hoofdpersonen wel hebben, maar die zij niet waar kunnen maken doordat zij (bijna) fatalistisch gevormd zijn door hun bepalende omstandigheden. We noemen dat ook de ‘geschiedenis van een ontnuchtering’. Schrijvers schrijven soms vrij objectief, dus zonder te oordelen, over mensen van lagere komaf, over seks, moord, depressies. Dat viel niet altijd in de smaak bij negentiende-eeuwers die toch nog wel gewend waren aan zedelijke romans met een duidelijke positieve moraal.

Hoewel het Franse naturalisme de roman zag als wetenschappelijk experiment en de verteller in romans dus vrij objectief en ook zakelijk schreef over dat experiment, zien we in de Nederlandse literatuur nog iets anders. Onder invloed van de ‘woordkunst’ van de Tachtigers (een groep schrijvers die rond 1880 actief werd) was ook juist de impressionistische stijl van schrijven gebruikelijk: men probeerde een moment, een gevoel te vangen in woorden, kunst is ‘de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’. De indrukken van kleuren, geuren en geluid zijn belangrijk en soms heb je er zelfs nieuwe woorden voor nodig (neologismen).

Ton Anbeek, letterkundige, benoemde de volgende kenmerken van de Nederlandse naturalistische roman:

  1. De hoofdpersoon is een ‘nerveus karakter’, een man of vrouw die overgevoelig is, door de zenuwen opgevreten wordt.
  2. Het verhaal is de geschiedenis van een ontnuchtering. De hoofdpersonen verliezen de strijd tussen idealen en werkelijkheid, of anders gezegd: de nuchtere werkelijkheid is sterker dan wat men kan dragen. De hoofdpersoon moet dus berusten in zijn/haar ongeluk óf kiest ervoor om uit dat ongelukkige leven te stappen.
  3. Het onevenwichtige karakter van de hoofdpersoon is te verklaren door determinerende (bepalende) omstandigheden: erfelijkheid en omgeving (het sociale milieu, klasse).
  4. Er is een sterk maatschappij-kritische instelling, kritiek op het bedompte burgerleven met een dubbele moraal.
  5. Er is belangstelling voor seksualiteit, taboe-onderwerpen krijgen in het naturalisme de aandacht.
  6. Het taalgebruik in het naturalisme kenmerkt zich door enerzijds een zo natuurgetrouw mogelijke dialoog (want het is een wetenschappelijke studie, dus mensen worden geschetst zoals ze echt zijn) en anderzijds de eerder genoemde woordkunst, ook wel écriture artiste of ‘mooischrijverij’.
  7. Het vertelperspectief wordt steeds vaker een personale verteller (de hij-vorm), en de ouderwetse verteller-als-gids (auctoriale verteller) verdwijnt. De verteller zou (als ‘wetenschapper’) objectief moeten zijn.

Bronnen / verder lezen:

Opdracht: de naturalistische roman

Deze opdracht maak je:
na het lezen van de roman (lees de opdracht eventueel wel vooraf)
klassikaal / individueel

In deze opdracht ga je Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan analyseren als naturalistische roman. Lees hierboven de paragraaf ‘De naturalistische roman’. Beantwoord dan de vragen.

  1. Wie is de hoofdpersoon in Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan? Zou je de hoofdpersoon omschrijven als een ‘nerveus karakter’? Geef bewijs hiervoor uit de roman, ten minste twee citaten of voorbeelden waarin de hoofdpersoon duidelijk een gevoelig type is of juist niet.
  2. Is het verhaal de ‘geschiedenis van een ontnuchtering’? Beargumenteer je antwoord.
  3. Welke determinerende omstandigheden tref je aan in Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan? Benoem concreet welke karaktertrekken (van één of twee hoofdpersonen) voortkomen uit welke erfelijke of omgevingsfactoren.
  4. Bekijk de woordkunst in de roman door ‘in te zoomen’ op hoofdstuk XVI van deel 1. Lees het hier in originele taal en vind minstens drie zinnen die volgens jou vallen onder ‘woordkunst’.
  5. In hetzelfde hoofdstuk vind je ook aanwijzingen voor de determinerende omstandigheden. Bij Couperus is er (blijkbaar) ook een duidelijk verschil tussen een ‘zuidelijke’ of ‘noordelijke’ ziel. Leg in eigen woorden uit wat het verschil inhoudt (gezien vanuit hoofdstuk XVI).
  6. Als je kijkt naar de zeven kenmerken van de naturalistische roman, vind je die dan allemaal terug in Van oude mensen? Welke wel, welke niet? Licht je antwoord kort toe.

Opdracht: het spook van Zola

Deze opdracht maak je:
na het lezen van de roman
klassikaal / individueel

Couperus zou zich voor Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan hebben laten inspireren door de roman Thérèse Raquin (1867) van Émile Zola. In deze roman is ook sprake van een ‘crime passionel’, waarna de geest van het slachtoffer de daders hun leven lang achtervolgt. Couperus las het boek toen hij zeventien was en was diep onder de indruk van het boek.
Lees (via de download, link hieronder) een samenvatting en een hoofdstuk uit dit boek en beantwoord de vragen.

  1. Alleen al in de namen lijkt Couperus in Van oude mensen te verwijzen naar Therèse Raquin van Émile Zola. Welke twee persoonsnamen in Van oude mensen zijn een verwijzing?
  2. Beide schrijvers kunnen erg beeldend vertellen. Welke woorden gebruikt Zola (in dit fragment) om de ruimte en sfeer te beschrijven? Noteer ca. tien woorden of zinsdelen.
  3. Doe hetzelfde voor Van oude mensen en kijk daarvoor naar deel 1, (het begin van) hoofdstuk III, noteer ca. tien woorden of zinsdelen die ruimte en sfeer beschrijven.
  4. Welke overeenkomsten en verschillen zie je tussen Zola en Couperus als het gaat om de beschrijvingen van sfeer en ruimte? Waarom is dit belangrijk?
  5. Vergelijk nu de twee romans in grote lijnen. Wat valt je op, als je kijkt naar plot en hoofdpersonen/relaties? Welke overeenkomsten zie je? Welke verschillen?
  6. In beide romans is er sprake van een huwelijk tussen neef en nicht. Hoewel er altijd wel discussie over is, is het in Nederland niet verboden. Het kwam vroeger vaker voor. (Couperus was zelf ook met zijn nicht getrouwd!) De romans oordelen ook niet over zo’n huwelijk, maar als je naar het naturalistische kenmerk van de erfelijkheid kijkt, is dit zeker in Van oude mensen wel een belangrijk gegeven. Waarom?
  7. Bestudeer de spookverschijning in de twee romans. Kijk naar hoofdstuk XXI van Thérèse Raquin en vergelijk dit met de spookverschijning in Van oude mensen, waarover je leest in: deel 1, hoofdstuk III en deel 2, hoofdstuk V (einde van het hoofdstuk). Welke (bijna) letterlijke overeenkomsten zie je? Welke verschillen?
  8. In de beschrijving van de kenmerken van de naturalistische roman schrijft Ton Anbeek: ‘In het algemeen staan de ontnuchterde hoofdfiguren twee wegen open als zij de slag tussen ideaal en realiteit verloren hebben: een passief einde, nl. de berusting in ongeluk of de actieve beslissing uit dit onvolmaakte leven te stappen. In beide gevallen is de nuchtere werkelijkheid uiteindelijk sterker dan het weerstandsvermogen van de heldin of held. Er is een groot aantal romans dat juist op dit punt duidelijk afwijkt, nl. boeken met een optimistisch of gematigd positief slot.’
    Welke weg is gekozen in Thérèse Raquin? En in Van oude mensen
  9. Waarom heeft dezelfde misdaad uiteindelijk andere gevolgen? Kun je dit verschil verklaren vanuit de andere verschillen tussen de twee romans (vraag 5)?

Cliffhangers en het Jan-Klaassen-syndroom: spanning (bij Couperus)

Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan lijkt soms wel een soap of een bingewaardige Netflix-serie, zeker als je bekijkt hoe Couperus met spanning werkt in de roman. Couperus kende de moderne ‘soap opera’ of Netflix uiteraard niet, maar hij kende wel het negentiende-eeuwse melodrama; een lichte vorm van toneel waarbij de karakters stereotypen zijn, waarin emoties sterk uitvergroot worden en een groot geheim vaak de stuwmotor van het verhaal is. De lezer (of kijker) weet vaak meer dan de hoofdpersoon.

Stereotypes herken je al snel in tante Stephanie, het vogelvrouwtje, of in de geldbeluste Ina. Intriges, geheimen en geroddel zijn in deze roman erg belangrijk. En cliffhangers worden hier gecreëerd door bij een nieuw hoofdstuk steeds weer bij een ander personages te beginnen; dit is ook een techniek die we in soaps en series terugzien.

Vaak wordt hierbij opgemerkt dat Couperus ‘feuilletons’ schreef, vervolgverhalen in een krant of tijdschrift, wat de cliffhangers zou verklaren. Dat klopt voor bijvoorbeeld Eline Vere, de roman die in 1887 als serie gepubliceerd werd in Het Vaderland, een dagblad. Van oude mensen verscheen echter in 1905 in Groot Nederland, in zes delen van steeds meerdere hoofdstukken achter elkaar. Zeker is dat Couperus met Eline Vere en andere eerdere romans zijn vaardigheid als plotschrijver mede dankzij het feuilleton sterker heeft ontwikkeld.

Hoe werkt spanning in een roman eigenlijk? René Appel, die zelf misdaadschrijver is (en taalkundige), schreef daar een interessant artikel over. Hij onderscheidt de volgende soorten spanning:

  1. Klassiek in de misdaadliteratuur is een verhaal waarbij er in het begin een lijk wordt gevonden. De lezer krijgt een raadsel voorgeschoteld, en de centrale vraag is natuurlijk: wie heeft het gedaan, wie is de moordenaar? Dit type spanning zou je retrospectieve spanning kunnen noemen, spanning die opgeroepen wordt door het oplossen van een raadsel uit het verleden.
  2. Prospectieve spanning is het tegenovergestelde type. Daarbij gaat het niet om de vraag wat er gebeurd is, maar om wat er gáát gebeuren. Er hangt iets in de lucht, er dreigt iets, en de lezer moet nieuwsgierig worden gemaakt, worden gestimuleerd om door te lezen, tot hij merkt dat het drie uur ’s nachts is geworden. Zo’n boek heet dan in Engelstalig reclamejargon ‘unputdownable’. 
  3. Bij globale spanning gaat het om de kern van het hele boek; dit is meestal samen te vatten in: ‘Wat is er gebeurd?’ of ‘Wat gaat er gebeuren?’ Die vragen moeten de spanningsboog creëren die ervoor zorgt dat de lezer als het ware door het hele boek wordt getrokken – tot aan het hoogtepunt, en dan eindigt het verhaal.
  4. Lokale spanning ontstaat door scènes die op zichzelf spannend zijn, zoals een achtervolging, een schietpartij, of een vrouw die ’s nachts in een huis op onderzoek uitgaat omdat ze een vreemd geluid heeft gehoord. 
  5. Het scheppen van spanning heeft veel te maken met het geven en vooral het achterhouden van informatie. De schrijver laat de lezer bewust in het onzekere. Soms gebeurt dat door een scène af te kappen, zodat er een zogenoemde ‘cliffhanger’ ontstaat. Op een wordt de scène bruut afgebroken. De schrijver last een regel wit in of begint een nieuw hoofdstuk. Dan pakt hij het verhaal niet direct op, maar met een tijdsprong of perspectiefwisseling: het volgende hoofdstuk begint verder in de tijd, eventueel vanuit het perspectief van iemand anders, wat meer mogelijkheden biedt om de spanning te rekken.
  6. Een schrijver kan een verhaal spannend maken door informatie achter te houden. Er zijn in principe drie mogelijkheden. Bij de eerste weet de lezer iets wat de romanfiguur niet weet. Dit is het ‘Jan Klaassen-syndroom’, denk aan kinderen voor de poppenkast, die zien dat Jan Klaassen wordt belaagd, terwijl hij dat zelf nog niet weet. Een andere term hiervoor is ‘dramatische ironie’. Bij de tweede mogelijkheid om informatie te manipuleren, weet de romanfiguur iets wat de lezer niet weet, dus precies het omgekeerde van wat hierboven staat. Ten slotte kan de schrijver duidelijk laten blijken dat hij iets weet wat noch het personage noch de lezer weet: ‘Ze kon niet voorzien dat dit de laatste keer was dat ze hem zou zien.’

Bron / verder lezen:

Opdracht: verhaalanalyse

Deze opdracht maak je:
tijdens / na het lezen van de roman
klassikaal / individueel

  1. Wie zijn vlakke en wie zijn ronde personages in de roman? Neem de tabel over en vul in. (Zie ook ‘Verhaalanalyse: personages’.)
NaamVlak/rondOntwikkeling*
Oma Ottilie Dercksz  
Opa Emile Takma  
Mama Ottilie  
Lot Pauws  
Elly  
Zus Ottilie  
Tante Adèle  
Tante Stefanie  
Oom Harold  
Ina d’Herbourg  
Oom Daniël  
Tante Floor  
Dokter Roelofsz  

*Maakt dit karakter een ontwikkeling door? Zo ja, omschrijf de ontwikkeling kort. Zo nee, vul in: ‘geen’.

  1. Couperus kiest ervoor zijn personages steeds heel duidelijk te typeren met beschrijvingen van het uiterlijk of karakter die herhaaldelijk terugkomen. Kies drie personages uit de roman en noteer voor elk van hen minimaal drie van die typische beschrijvingen.
  2. De hoofdpersoon is het belangrijkste personage in een roman, de plot en de gebeurtenissen in het verhaal draaien om hem/haar. Over de roman Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan wordt wel gezegd dat het een roman zonder echte hoofdpersoon is. Welke personages zouden hoofdpersoon van de roman genoemd kunnen worden? Waarom?
  3. Vind jij dat er één hoofdpersoon is? Wie? Waarom?
  4. Ga voor jezelf na: is de roman chronologisch? Wat is de vertelde tijd? Maak dan een tijdbalk van de gebeurtenissen in de roman. (Zie ook: ‘Verhaalanalyse: tijd’.)
  5. Wanneer speelt het verhaal zich af, naar jouw idee? Waarop baseer je jouw schatting?
  6. In de uitleg ‘Cliffhangers en het Jan-Klaassensyndroom’ staan zes manieren beschreven om spanning te creëren. Je zou kunnen stellen dat al deze vormen van spanning voorkomen in Van oude mensen. Neem de tabel over en vul bij elke soort spanning een voorbeeld of uitleg in waarmee duidelijk wordt hoe die spanning aanwezig is in Van oude mensen.
Soort spanningVoorbeeld / uitleg / op welke wijze aanwezig in Van oude mensen
Retrospectieve spanning 
Prospectieve spanning 
Globale spanning 
Lokale spanning 
Cliffhanger 
Informatie achterhouden 

Opdracht: wat een soap!

Deze opdracht maak je:
na het lezen van de roman
– in groepjes

  1. Kijk een soap (minimaal twee dagen), zoek eventueel meer informatie over de verhaallijnen op. Welke verhaallijnen spelen er op dit moment? Let vooral op geheimen en ingewikkelde relaties! Beschrijf de verhaallijnen kort.
  2. Met welke verhaallijn en met welke cliffhanger eindigen de twee afleveringen die je hebt bekeken? Op welke manier is op die twee momenten spanning gecreëerd? (Lees ook hierboven ‘Cliffhangers en het Jan-Klaassensyndroom’.)
  3. Soapseries hebben ook hun eigen, herkenbare manier van filmen. De scènes zijn kort en als camerashot wordt vaak gekozen voor de close-up en de ‘two shot’. Bij een two shot (tweegesprek) zijn twee spelers met elkaar in gesprek, maar je ziet van beiden gelijktijdig het gezicht in beeld. Heb jij dit ook teruggezien in de soap die je hebt bekeken? Wat viel je verder op aan de wijze van filmen, wat is kenmerkend voor de soap? Wat is kenmerkend voor de cliffhanger, hoe ‘herken’ je die?
  4. Bekijk nu de volgende twee hoofdstukken uit Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan: deel 2, hoofdstuk V en VI. Met welke verhaallijn en met welke cliffhanger eindigen deze hoofdstukken? Op welke manier is op die twee momenten spanning gecreëerd? (Zie ‘Cliffhangers en het Jan-Klaassensyndroom’.)
  5. Kies een van deze twee hoofdstukken (deel 2, hoofdstuk V of VI) en maak er een soapverfilming van. Schrijf eerst een script; noteer welke wijze van filmen (vraag 3) je bij elke scène wilt gebruiken; bedenk goed hoe je een spannende cliffhanger creëert; maak een rolverdeling en kies een plek om te filmen – en maak de film.

Opdracht: het moordbord

Deze opdracht maak je:
voor en tijdens  het lezen van de roman
klassikaal / in groepjes

Zestig jaar geleden is er sprake geweest van een verdacht sterfgeval. De heer Dercksz kwam op een regenachtige nacht in de Indische bergen om het leven. De mogelijke verdachten en getuigen zijn al erg oud, maar ze leven nog, dus het cold case-team moet zich haasten om de waarlijke toedracht van dit sterfgeval te achterhalen. In het netwerk van de familie zijn allerlei verdachte gebeurtenissen en er zijn diverse bronnen die er dichterbij of juist verder vanaf staan. Het coldcase-team (de klas) wordt ingedeeld in een aantal units (groepjes) en elke unit krijgt een paar getuigen van wie zij alles in kaart moeten brengen, op basis van alle informatie die te vinden is in Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan.

Het coldcase-team vraagt zich af: wie weet wat? Wanneer is wat gebeurd en wat bekend geworden? Wie heeft welke rol gehad? Wie heeft het al die tijd geheim gehouden en om welke reden? Op welke manier lijden mensen onder het verleden (vreemd gedrag = aanwijzing dat zij meer weten!)? Wie weet precies wat en sinds wanneer? Is het ‘weten’ of slechts een vermoeden? Met wie heeft hij/zij het geheim gedeeld, of gesproken over vermoedens? Welk verhaal, welke bron is betrouwbaar? Welke belangen hebben alle betrokkenen?

Maak een groot moordbord in de klas, met minimaal 1 A4 ruimte per personage:

  • unit 1: oma Ottilie Dercksz, oom Daniël en tante Floor, tante Therèse, zus Ottilie.
  • unit 2: mama Ottilie, baboe Ma-Boeten en haar zoon, tante Adèle, Elly.
  • unit 3: opa Emile Takma, tante Stefanie, Frans Steyn de Weert, Lot.
  • unit 4: oom Harold, oom Anton, Ina en jonkheer Leopold d’Herbourg, dokter Roelofsz.

Wat moet er op het bord komen? Van elke betrokkene is uiteraard een karakterschets nodig en verdachte zaken, uitspraken en gebeurtenissen moeten steeds genoteerd worden. Met lijnen worden de personen met elkaar verbonden. Elke week hebben de units iets meer informatie uit het boek gehaald en kan het bord bijgewerkt worden. Eventueel kan een tabel helpen om tijdens het lezen notities te maken:

En als alles uitgewerkt en opgelost is, als de daders bekend zijn? Een nabespreking. Wat is het belang van het verleden en het oplossen van zo’n zaak? Wat doet het met mensen als ze geheimen bij zich dragen? Wat betekent het voor de familie om die geheimen alsnog te ontdekken? Wat betekent dit voor Lot en Elly? Hadden ze het misschien liever níet geweten?

Opdracht: kijk en vergelijk / origineel en hertaling

Deze opdracht maak je:
voor / tijdens / na het lezen van de roman
klassikaal / individueel

Hoofdstuk 2 origineel en hertaling

  1. Lees hoofdstuk II in de originele tekst en in hertaling (download het pdf-bestand met de link hierboven).
    Hoe ervaar jij het lezen van het origineel? Geef aan: ik kan de originele tekst goed / redelijk / matig / slecht / helemaal niet lezen en begrijpen. Leg uit wat jij moeilijk of juist makkelijk vindt. En zou je het volledige boek liever in originele versie of in hertaling lezen? Leg ook uit waarom.
  2. In de originele tekst vind je de volgende woorden: manieën, omstarreld, causerieën, complexie, geincrusteerd. Hoe zijn deze woorden hertaald?
  3. Zoek in de originele tekst vijf woorden die je zelf ook nog niet kende. Noteer ook de hertaling van die woorden.
  4. Zijn er in de hertaling ook nog woorden die je niet kent? Noteer die met de betekenis (zoek de woorden op in een woordenboek).
  5. Een ‘leenwoord’ is een woord dat we aan een andere taal ontleend hebben. Denk aan computer, een Engels leenwoord. Of bureau, uit het Frans. Couperus gebruikt vaak woorden uit het Frans; in de negentiende eeuw werd er door mensen van stand vaak ook in het Frans gesproken en Couperus verbleef regelmatig in Frankrijk. Zoek in de originele tekst twee leenwoorden uit het Frans.
  6. De hertaler heeft niet alleen losse woorden hertaald. De zinnen zijn soms ook veranderd. Kies één voorbeeldzin waarin je een duidelijke verandering ziet, noteer die zin in origineel en hertaling en leg uit wat de verandering is.
  7. In het nawoord zegt de hertaler: ‘In lange dialogen weet je soms niet meer wie wat zegt, en de verschillende aanduidingen voor dezelfde persoon kunnen verwarrend zijn. Daarom gebruik ik een vaste aanduiding voor personen.’ In dit hoofdstuk gebeurt dit ook. Geef twee voorbeelden van personen met hun vaste aanduiding in de hertaling, die anders is dan in het origineel.
  8. Dit hoofdstuk heeft in de originele tekst 2591 woorden en in de hertaling 2611. De hertaling is dus ietsje langer. Welke verklaring kun je daarvoor bedenken? Zoek voor jouw verklaring bewijzen in de tekst.
  9. In dit hoofdstuk maken we vooral kennis met Elly en haar opa Takma. Beschrijf deze personen met woorden uit de tekst (origineel of hertaling). Kies vijf woorden per persoon.
  10. Een hertaling wijzigt het originele verhaal niet, het is geen bewerking. Hoe zou een moderne bewerking eruit kunnen zien? Laat je inspireren door deze bijzondere karakters en probeer het zelf. Welke obsessies zou Elly in de 21e eeuw hebben, wat zou opa Takma dragen? Kies een fragment uit hoofdstuk II met Elly of opa Takma (ongeveer een halve pagina), plaats Elly en Takma in deze tijd en herschrijf het fragment.

Opdracht: een filosofisch boekengesprek (A: Socratic Circles)

Deze opdracht maak je:
na het lezen van de roman
klassikaal

In een socratisch gesprek zoeken de gespreksdeelnemers samen naar een antwoord (consensus) op een door hen gestelde vraag. Het doel is consensus, geen debat. Het doel is ook het precies verwoorden van vragen en antwoorden, meningen en argumenten. De gespreksdeelnemers bedenken het liefst zelf de vragen en komen dan ook met eigen (lees)ervaringen. Als dat nog te moeilijk is, kan de docent een meer sturende rol aannemen. Zie ook opdracht B.

De ‘Socratic Circles’ zijn een variant op het socratisch gesprek die goed werkt in de klas. Wanneer je nog nooit een socratisch gesprek hebt gevoerd, of het niet als werkvorm kent – en de leerlingen niet – dan is het goed je eerst hierin te verdiepen. Een leestip is het boek Socratic Circles van Matt Copeland. Korte weergaven van de socratische methode (voor het onderwijs) vind je ook hier: link 1, link 2, voor de Circles: link 3, link 4 (uitgebreid).

Simpel gezegd: bij de Socratic Circles vormt een groep leerlingen in de klas een cirkel waarin zij een socratisch gesprek voeren, op basis van een (door iedereen gelezen) tekst; een ander deel van de klas luistert en geeft achteraf feedback. Hoe doe je dit op basis van een roman?

  1. Deel de klas op in groepen (rustige, kleine klas: twee groepen; anders drie groepen).
  2. Groep 1 gaat in een cirkel zitten, leerlingen uit de andere groepen blijven op hun plaats met een feedbackformulier.
  3. Er kan een (aangewezen) gespreksleider in de leerlinggroep zijn, maar dat hoeft niet. Dat kan de groep ook zelf bepalen. De gespreksleider houdt het gesprek op gang, begint met vragen stellen. (Het liefst is de docent alleen aan het luisteren… als de docent nodig is als gespreksleider, dan doet de docent dat alleen om het gesprek en de werkvorm te stimuleren, de docent brengt geen inhoud in.)
  4. Leg uit wat de stappen zijn en benoem vooraf wat het doel is: een vraag onderzoeken en tot consensus komen; geen debat. Ieders inbreng is waardevol. Onderbreek de ander niet, lach elkaar niet uit, gebruik geen sarcasme, luister goed en met een open geest. Werk samen, zorg dat iedereen hardop meedenkt, stel vragen, onderzoek, vraag door en luister actief en nauwkeurig. Zeg wat je zelf denkt en weet vanuit jouw (lees)ervaring. Discussieer over wat je gelezen hebt, niet over persoonlijke ideeën – verwijs regelmatig naar de tekst.
  5. De groepsleden bepalen een hoofdvraag. Welke vragen kwamen op bij het lezen van Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan? Welke onderwerpen/vragen zetten je aan het denken en zijn het verder verkennen waard? Daaruit wordt een keuze gemaakt. Het moet gaan om een algemene, fundamentele vraag die je kunt beantwoorden door na te denken – geen feitenvraag, een (open) vraag waarbij vele antwoorden mogelijk zijn.
  6. Vanuit de hoofdvraag brengen de groepsleden ervaringen in die bij deze vraag passen. Leeservaringen uit het boek, maar ook ervaringen uit de werkelijkheid die hier wel of niet bij passen om de leeservaringen beter te kunnen duiden. Hierover vragen zij door, anderen vullen aan met hun leeservaringen, nieuwe vragen en antwoorden, ze spiegelen elkaars antwoorden om scherper te verwoorden, zo praten zij verder. Ze proberen op basis van de leeservaringen en gedachten hierover een onderbouwd antwoord te vinden.
  7. Het gesprek kan afgerond worden als de hoofdvraag van voldoende kanten belicht is en er consensus is over het antwoord. Wanneer dat antwoord expliciet verwoord is en iedereen ermee instemt, is het gesprek afgerond. Het is ook mogelijk om het gesprek in tijd te begrenzen, ongeacht of het eindantwoord er is; laat de leerlingen vooraf weten hoe lang het gesprek duurt.

De feedback van de anderen in de klas kan gegeven worden met gebruik van een feedbackformulier, zie hieronder een voorbeeld uit Matt Copeland: Socratic Circles, Dostering Critical and Creative Thinking in Middle and High School. De tweede groep (de ‘outer circle’) maakt notities en het socratisch gesprek wordt onder leiding van de docent kort nabesproken – en daarna herhaalt het proces zich met een wisseling van de groepen, dus de tweede groep wordt ‘inner circle’ en voert zelf een nieuw gesprek. Het beoordelen met het formulier is geen doel op zich; doel is de discussievaardigheden te vergroten en het helpt om daarbij op deelaspecten te benoemen wat er goed gaat en wat nog beter kan. Nog meer uitgebreide feedbackformulieren vind je ook hier.

Opdracht: een filosofisch boekengesprek (B: vraaggestuurd)

Deze opdracht maak je:
na het lezen van de roman
klassikaal / in groepjes

Vragen boekgesprek Van oude mensen (Word)

Vragen boekgesprek Van oude mensen (pdf)

Het doel van deze opdracht is ook een literair-filosofisch gesprek, alleen worden er al vragen benoemd. Wanneer de werkvorm van Socratic Circles nog onbekend is en/of iets te abstract, dan is dit een goed alternatief.

  1. Bekijk vooraf de vragenkaartjes (download het pdf- of Word-bestand met de link hierboven), vul eventueel aan met eigen vragen en print voldoende sets.
  2. Je deelt de klas in groepen in; je kunt kiezen voor twee grote groepen, waarbij (net als bij de Socratic Circles) de buitenste kring feedback geeft op de binnenste die een gesprek voert (en daarna andersom). Je kunt ook meerdere kleine groepjes maken, die gelijktijdig gesprekken voeren, al dan niet met een groeps- of klasevaluatie achteraf.
  3. Leg uit wat de stappen zijn en benoem vooraf wat het doel is: een vraag onderzoeken en tot consensus komen; geen debat. Ieders inbreng is waardevol. Onderbreek de ander niet, lach elkaar niet uit, gebruik geen sarcasme, luister goed en met een open geest. Werk samen, zorg dat iedereen hardop meedenkt, stel vragen, onderzoek, vraag door en luister actief en nauwkeurig. Zeg wat je zelf denkt en weet vanuit jouw (lees)ervaring. Discussieer over wat je gelezen hebt, niet over persoonlijke ideeën – verwijs regelmatig naar de tekst.
  4. Bij kleine groepjes is een gespreksleider overbodig; bij een grote groep kun je hier nog wel voor kiezen.
  5. Bepaal vooraf een tijd per vraag/kaartje of eis, zodat zij meerdere vragen (kort) behandelen, óf: laat leerlingen één vraag (al dan niet naar keuze) uitputtend behandelen.
  6. Bij aanvang pakt (of kiest) de groep een vraag. Vanuit die vraag brengen de groepsleden ervaringen in die bij deze vraag passen. Leeservaringen uit het boek, maar ook ervaringen uit de werkelijkheid die hier wel of niet bij passen om de leeservaringen beter te kunnen duiden. Hierover vragen zij door, anderen vullen aan met hun leeservaringen, nieuwe vragen en antwoorden, ze spiegelen elkaars antwoorden om scherper te verwoorden, zo praten zij verder. Ze proberen op basis van de leeservaringen en gedachten hierover een onderbouwd antwoord te vinden.
  7. Het gesprek kan afgerond worden als de hoofdvraag van voldoende kanten belicht is en er consensus is over het antwoord. Wanneer dat antwoord expliciet verwoord is en iedereen ermee instemt, is het gesprek afgerond. Het is ook mogelijk om het gesprek in tijd te begrenzen, en een volgende vraag te behandelen.