Lesideeën Nederlands 9-12

Ideeën (werkvormen/opdrachten) voor de lessen Nederlands. Geen revolutionaire onderwijsinnovatie, geen wetenschappelijke kaders, wel inspiratie en vakliefde uit de dagelijkse praktijk. Lees ook les 1-4 en 5-8.

Week 9: missie eindexamen

(door de vingers)

Ik ontdekte in week 8 dat mijn leerlingen (in 5 havo) soms vreemde woordcombinaties gebruikten. Mijn indruk is dat zij onvoldoende correct taalaanbod krijgen. Ook bij de leesteksten op examenniveau zullen ze dan diverse woorden en uitdrukkingen niet kennen. Hoe brei ik dat nog recht voor het eindexamen, vóór hun start in het hbo waar opdrachten met slordige taal niet eens worden nagekeken?

Natuurlijk: lezen, lezen, lezen en erover praten. Zeker. Maar hoe zorg ik ervoor dat ze bewust hun taal uitbreiden, dat ze zich daartoe geprikkeld voelen, zonder hier hele lessen mee bezig te zijn?

Ik kies een simpele aanpak. Ik start elke les met vijf combinaties met vaste voorzetsels op het scherm, waarbij de voorzetsels juist ontbreken. De opdracht is simpel: schrijf die vijf groepjes woorden op en vul het voorzetsel in. Wie weet ze allemaal? En weet je ook wat het betekent?

Ik gebruik deze opdracht ook als een ‘sponsopdracht’, al is dit niet de correcte term. Een sponsopdracht zet je in wanneer leerlingen eerder klaar zijn – en die zou juist wat verdieping moeten bieden. Maar déze spons zuigt de resterende tijd en het gerommel op van leerlingen die te laat komen, nog naar de wc moeten, hun schrift niet kunnen vinden, en verzin nog tien smoezen om de les pas vijf minuten na de bel echt te beginnen. Misschien moet ik het maar een ‘sleepnetopdracht’ noemen, met deze opdracht sleep ik iedereen bij de les, in het vak, in de taal, aan het eind van de opdracht zit iedereen in het net, scherp en wakker en geprikkeld om over taal na te denken.

Deze kleine startoefening werkt op meerdere manieren positief: ten eerste prikkelt het de ambitie van leerlingen, ze hopen alle antwoorden juist te hebben en dat is soms ook haalbaar. Vul maar in: ergens baat … hebben, iemand … wille zijn, stank … dank, iets … de vingers zien, ergens geloof … hechten.

Ten tweede vinden ze het leuk om nieuwe dingen te leren, zolang het maar geen hele lijsten en zinnen uit het boek zijn, merk ik. ‘Ik weet niet eens wat het betekent…’ ‘Oh, die weet ik, stank voor dank, dit zegt mijn oma altijd!’ Minstens zo leuk is het om die uitdrukkingen daarna ook te gebruiken, zonder dat ik ze daartoe hoef aan te sporen. Sinds ‘door de vingers zien’ aan bod is gekomen, krijg ik hem elke les wel een keer terug van iemand: ‘Mevrouw, kunt u dit ene foutje in mijn toets niet door de vingers zien?’

En tot slot heb ik voor de komende lessen een ritme, een start van de les, iets wat we gezamenlijk belangrijk hebben gemaakt – en dat is prettig. Dat blijkt als ik de dia met woorden bij een verkort lesrooster vergeet. ‘Mevrouw, waar zijn de vijf woorden? Ik zit al klaar met m’n schrift. Daar kan ik niet tegen. Zo raak ik helemaal uit mijn ritme.’

‘Tja, ik ben ze vergeten. Sorry, niet goed voorbereid. Ik hoop dat je het voor deze keer door de vingers kunt zien.’

Week 10: Woordenaars

(lillend vlees onder de tanktop)

Als je je lesmethode niet goed genoeg vindt, of laat ik het genuanceerder zeggen, niet boeiend genoeg, en je wilt wel dat leerlingen leeskilometers maken met goede teksten, hoe doe je dat dan?

Mijn inspiratie gaat al jaren terug, naar het idee van Word Generation. Dit is een Amerikaanse (bewezen effectieve) aanpak voor het uitbreiden van de actieve woordenschat – en je leert er nog veel meer mee; analyseren, redeneren, algemene kennis. Elke week staat een ander boeiend thema centraal, liefst controversieel: het legaliseren van drugs, bijvoorbeeld. De klas behandelt dat thema, leert er vijf nieuwe begrippen bij, praat erover, doet er opdrachtjes mee. Het thema is vakoverstijgend en de begrippen en inhoud komt dus ook terug bij andere vakken. Aan het eind van de week wordt het thema afgerond.

Bedenk dat dit programma oorspronkelijk is ontwikkeld voor de Amerikaanse middle school (10-14 jaar), waar de leerlingen niet elk uur van leslokaal en leraar wisselen. Ik probeerde hetzelfde principe bij Nederlands toe te passen en noemde het concept ‘Woordenaars’. Woordenaars ontdekken de macht van taal; ze zijn kritische lezers, zorgvuldige schrijvers en overtuigende sprekers – we gaan elke week aan de slag met één thema en met lezen, schrijven en spreken.

Dat gaat bijvoorbeeld zo: met 5 havo lees ik een korte examentekst in de les. De tekst gaat over de vraag of een school kledingregels moet hebben. Op het bord projecteer ik wat woorden uit deze tekst: lillend (vlees, geweldig!), de euvele moed, benepen, beknotten, flaneren. Die bespreken we, met allerlei voorbeelden.

‘Is iemand wel eens aangesproken op zijn/haar kleding?’ vraag ik dan. Ja! Een te kort topje is wel eens naar huis gestuurd. En een djellaba schijnt ook niet te mogen. Daar hebben we een aardige discussie over, want waarom mag een djellaba niet? Ziet men het als een geloofsuiting, zoals een boerka, vond iemand het onveilig, weten ze niet dat het gewoon relaxte kleding is, ah, maar je gaat toch ook niet in je huispak naar school? Een andere leerling roept dat leraren ook regels nodig hebben. Ik orden al mijn kleren en zeg: INDERDAAD!

In de volgende les heb ik een nieuwe tekst: een column over kledingregels op een school in de buurt. Het is een leuke en niet al te moeilijke tekst met een interessante argumentatiestructuur die de leerlingen ook in een blokjesschema moeten zetten. Er volgt nog een filmpje en tot slot vraag ik de klas: geef jouw mening over kledingregels op school en gebruik daarbij vijf nieuwe begrippen die je hebt geleerd – onderstreep ze.

Ik deel twee pareltjes – in de klas bespreek ik ook de mooiste voorbeelden met kleine verbetertips:

Ik vind dat scholen niet elke kledingstijl kunnen permitteren, want soms is het gewoon echt te bloot. Het kan sommige mensen intimideren, waardoor ze afgeleid raken, omdat sommige mensen snakken naar seksueel contact, zoals mensen die net in de puberteit zitten en problemen hebben of stoornissen. Sommige meiden zijn heel zelfverzekerd en gaan met euvele moed halfnaakt naar school.

Ik vind dat als jij je goed voelt in bepaalde kleding, je die gewoon aan moet doen, ook al rolt het lillend vlees onder de tanktop vandaan. Sommige mensen wachten op de zomer zodat zij dit soort truitjes aan kunnen doen, ze snakken naar dit moment. Ik vind het benepen om te zeggen dat bijvoorbeeld de schouders niet gezien mogen worden. Het is bijna 2020, de mode is nou eenmaal een beetje provocatief.

Week 11: woordenschatspel

(HET KIND MET HET WATER!)

We blijven nog even bezig met woordenschat. Het liefst leer ik leerlingen woorden in een context. Je pikt nieuwe woorden op uit de teksten die je leest, bijvoorbeeld. Ik hou ook niet erg van woordenschattoetsen, omdat je al snel iets te veel reproductie hebt en de vaardigheid van woorden stampen is geen échte taalvaardigheid. Maar goed, af en toe staat er wel zo’n hoofdstuk op het programma, het is niet verkeerd om nieuwe woorden te leren en dan moedig ik mijn leerlingen na de eerste invuloefeningen uit het boek toch van harte aan om op zo’n reproductieve toets een 10 te scoren – ‘Als één leerling een 10 haalt, trakteer ik’, beloof ik de klas. (En de leerlingen vragen niet ‘wat’ ik trakteer, maar ‘waar’, in welk restaurant… wijsneuzen.)

We doen kort voor de toets een oefenles, en om het competitieve flink aan te wakkeren, spelen ze in teams en spelrondes tegen elkaar onderstaande spellen. Sommige rondes zijn gericht op letterlijke definities en synoniemen, soms moeten ze creatiever met de woorden en uitdrukkingen omgaan en het grappigst zijn uiteraard de spellen waarin ze een uitdrukking moeten tekenen of verbeelden. Een leerling wiegt steeds opnieuw een denkbeeldige baby en gooit die dan weg. Het groepje roept: ‘Baby! Het kind! Het kind weggooien! Het kind en het water! Het kind met het badwater! Weggooien! HET KIND MET HET BADWATER WEGGOOIEN!’

Als je deze spellen wilt doen, moet je vooraf kaartjes maken. Dat kost krankzinnig veel tijd voor één les, soms vind ik het de moeite waard. Maar een slimme docent laat leerlingen de kaartjes zelf maken… dan hebben ze de woorden ook weer een keer opgeschreven en opgeslagen in hun sensomotorisch geheugen.

Deel de klas op in een even aantal teams die tegen elkaar strijden, maar schrijf na elke ronde ook de scores op het bord, zodat er één groepje winnaar van de klas is. Je kunt ook slechts één van deze spellen doen, maar het tempo zorgt voor wat druk en spanning en het wordt nooit saai.

Spelronde 1: Meerkeuzequizzz

Iemand van team 1 pakt een kaartje. Daarop staat een woord of uitdrukking met vier mogelijke betekenissen, het antwoord staat vetgedrukt. Lees voor zonder het antwoord te verraden. Het andere team raadt de betekenis en wint het kaartje als het juist is. Daarna leest team 2 een kaartje voor en mag team 1 raden.

Spelronde 2: Raad het woord

Iemand van team 1 pakt een kaartje. Daarop staat een omschrijving van een woord of uitdrukking. De ander moet het juiste woord (of de uitdrukking) erbij raden, dat staat vetgedrukt en dat moet je dus niet voorlezen, je leest de volledige omschrijving voor. Het andere team raadt de betekenis en wint het kaartje als het juist is. Daarna leest team 2 een kaartje voor en mag team 1 raden.

Spel 3: Memory

Speel memory: hussel de kaartjes en leg ze neer met het woord naar beneden. De eerste speler (van team 1) probeert twee kaartjes. Als hij/zij een set vindt van woord met de juiste betekenis, wint het team die set. Ze mogen dan nog één keer proberen. Als hij/zij geen set vindt, of een tweede set gewonnen heeft, is team 2 aan de beurt.

Spel 4: Spel het woord juist

Persoon 1 van team 1 neemt een kaartje en leest voor welk woord er staat. De anderen  van team 1 mogen als eerste proberen dit woord correct te spellen. Let op: persoon 1 leest het woord maximaal twee keer voor. Als het niet lukt, dan mag team 2 proberen (het woord wordt niet nog een keer voorgelezen). Als niemand het correct heeft, gaat het kaartje weer onderop de stapel.

Spel 5: Dinges

Persoon 1 van team 1 pakt een kaartje. Daarop staat een woord of uitdrukking. Je geeft daarvan een beschrijving, zonder een woord of ook maar een deel ervan te noemen. De anderen van team 1 raden: wie het het eerste (volledig!) juist heeft, wint het kaartje. Als niemand het na één minuut geraden heeft, mag het andere team één antwoord geven, als het dan nog niet geraden is, gaat het kaartje onderop de stapel. Daarna is team 2 aan de beurt.

Spel 6: Hints

Persoon 1 van team 1 pakt een kaartje. Daarop staat een woord of uitdrukking. Je gaat dit woord of de uitdrukking verbeelden zonder letters en geluiden te gebruiken. Iedereen mag raden: wie het het eerste (volledig!) juist heeft, wint het kaartje. Daarna pakt iemand van team 2 een kaartje en gaat hij/zij uitbeelden. Als niemand het na twee minuten geraden heeft, gaat het kaartje onderop de stapel.

Spelronde 7: Teken het maar

Persoon 1 van team 1 pakt een kaartje. Daarop staat een woord of uitdrukking. Je maakt daarvan een tekening, zonder een woord of ook maar een deel ervan te noemen. De anderen van team 1 raden: wie het het eerste (volledig!) juist heeft, wint het kaartje. Als niemand het na één minuut geraden heeft, mag het andere team één antwoord geven, als het dan nog niet geraden is, gaat het kaartje onderop de stapel. Daarna is team 2 aan de beurt.

Spel 8: Maak die zin!

De eerste speler pakt een kaartje. Daarop staan twee woorden/uitdrukkingen. Gebruik ze allebei in een zin. Je mag de vorm van de woorden aanpassen, maar de betekenis moet nog kloppen, het moet een logische zin zijn, binnen één minuut bedacht. Als dat lukt, heb je het kaartje gewonnen. Daarna gaat de beurt naar het andere team.

Week 12: leesplezier

(tip!)

‘Oh mevrouw, ik wilde u nog bedanken voor de tip!’

Ik liep net naar buiten, op weg naar huis. Voor me stond een allerliefste leerling uit 5 havo, een leuke leerling, je weet wel, doet mee in de les, ook niet te serieus, iemand met wie je ook wat persoonlijk contact krijgt, kortom, leuk. Maar ik had geen idee waar ze het over had. Die dag had ik een les gegeven met tien tips voor leesvaardigheid omdat ze in de toetsweek een toets begrijpend lezen krijgen. Welke van die tien tips bedoelde ze?

Ik had de tips gemaakt op basis van een oefentekst waarbij zij de vragen gemaakt hadden. Die examentekst had ik namelijk serieus nagekeken en ik was er tamelijk serieus van geschrokken. De tips bestonden dus uit vrij basale zaken, zoals: ‘gebruik leestekens’ en ‘lees je vraag en antwoord samen terug’. Bij een van de vragen moesten de leerlingen drie problemen uit de tekst halen. 49 van de 50 leerlingen noteerden probleemloos twee of drie oplossingen.

‘Het heeft echt gewerkt!’ zei ze enthousiast.

Maar hoe kon ze nu al weten dat mijn tips zouden werken voor de toets?

‘Welke tip bedoel je?’ vroeg ik dus.

‘Elke dag een stukje lezen!’ Ooooh ja. Ander verhaal.

Aan het eind van de les, en paar weken geleden, kwam ze naar me toe. Ik had de klas weer eens herinnerd aan de leeslijst, waar ze nu wel wat vaart achter moesten zetten.

‘Ik heb een probleem,’ zei ze. ‘Ik heb geen motivatie voor het lezen. Ik heb de boeken al gekozen, die vind ik heus wel interessant, maar ik kan me er niet toe zetten om te beginnen.’

Dit begrijpt iedereen. Als je het niet met lezen hebt, dan heb je het met sporten. Administratieve klusjes. De was. Familiezaken. Het voordeel van lezen is – als je een goed boek hebt – dat het meestal wel boeiend wordt als je eenmaal in het verhaal zit. (Dat heb ik bij fitness niet, dat ik denk ‘wat spannend: hoe zal het aflopen?’)

Maar verder is het voor al deze zaken hetzelfde: je moet er gewoon aan beginnen. Ik adviseerde haar om elke dag een vast moment te kiezen en dan een vast aantal pagina’s of een vaste tijd te lezen. Bijvoorbeeld: net voor of net na het avondeten. Voor het slapengaan. Even helemaal niets anders: geen telefoon of tv in de buurt, alleen het boek. Elke dag 25 pagina’s, of een halfuur. Is dat veel? Dan begin je met elke dag vijftien pagina’s. Maar hou vol, elke dag, een minimum aantal pagina’s of minuten. Dan kom je in het verhaal. En dán wil je vanzelf verder lezen.

‘Ik heb al één boek uit. En ik ben al halverwege een volgend boek.’

Wat, in twee weken?

Dit is echt een goede tip. Ik zou het zelf ook eens moeten proberen…

Published by:

michellevandijk

Schrijver en leraar Nederlands. Roman: Darko's lessen (2017). Hertaling Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (Louis Couperus) verschijnt in november 2019. www.michellevandijkschrijft.nl

Categorieën Geen categorie