Lesideeën Nederlands 1-4

Vanaf nu plaats ik ongeveer één keer per maand een bericht met ideeën (werkvormen/opdrachten) voor de lessen Nederlands. Geen revolutionaire onderwijsinnovatie, geen wetenschappelijke kaders, wel inspiratie en vakliefde uit de dagelijkse praktijk.

Week 1: de kennismaking

(lieg tegen me)

Welkom, hallo, ik ben mevrouw/meneer zus en zo en wie zijn jullie? Dat werkt niet zo goed. Natuurlijk kun je alleen jezelf voorstellen, de namenlijst checken en daarna, hup, de boeken in – als iedereen boeken (bij zich) heeft… Maar even kennismaken is belangrijk: je zet de sfeer neer en je maakt een start met hoe jij het vak invult.

Al jaren laat ik leerlingen in de eerste les een kennismakingsbrief sturen. Op het bord noteer ik wat ik verwacht: een nette brief, vertel wie je bent, waar je woont en met wie, eventuele hobby’s en bezigheden, vertel wat je vindt van het vak Nederlands (eventuele problemen) en wat je verwacht van dit jaar, in het algemeen of van Nederlands of van mij in het bijzonder.

Ze moeten individueel en in stilte aan de brief werken – zo leren ze dat dat bij mij (soms) zo werkt. Ik zie ook direct wie dat moeilijk vinden, wie moeilijk op gang komen, wie als laatste klaar zijn, etc. Het duurt misschien tien minuten – ik heb het nooit getimed. Terwijl zij werken, probeer ik hun namen alvast in te studeren met de foto’s uit het schoolsysteem.

De brieven leveren me een schat aan informatie op: ‘Ik heb een hond die Hoeper heet, ik heb dyslexie, ik lees graag Turkse gedichten en ben benieuwd of er ook zulke mooie Nederlandse gedichten bestaan, ik vindt spelling moeilijk, ik vind Nederlands saai, u lijkt me wel een leuke docent, maar ik moet het nog maar zien.’ Naast hun letterlijke boodschap zie ik ook wie met moeite zes regels volschrijft, wie makkelijk een A4-tje beschrijft, wat leerlingen onder ‘een nette brief’ verstaan, wie foutloos schrijft, wie alle werkwoordsvormen fout heeft, wie moeite heeft met ‘de’ en ‘het’.

Na het schrijven van de kennismakingsbrief heb ik nog een kwartier, twintig minuten over. Tijd om te praten, tijd voor het spel: twee waarheden en één leugen. ‘Iedereen kan straks aan de beurt komen om iets over zichzelf te vertellen,’ zeg ik, ‘en dan vertel je drie dingen over jezelf, maar één daarvan is een dikke, vette leugen.’ Ik geef de leerlingen een minuut de tijd om dit te bedenken en ik kondig aan dat ik zelf eerst zal gaan. Bij de eerste leerling zeg ik: ‘Sta even op als je aan de beurt bent!’ We raden allemaal mee naar de echte leugen en ik vraag door bij leuke nieuwe onderwerpen: ‘Speel je piano? Wie speelt nog meer een muziekinstrument?’

‘Ik woon in een kelder,’ begint een derdeklasser onbedoeld grappig. De klas lacht. ‘Ja, ik weet ook niet hoe dat heet, een sou-, een sout..’ Ik schrijf ‘souterrain’ op het bord. Het is grappig en leerzaam, het is persoonlijk – ook klasgenoten die elkaar al lang kennen, ontdekken nog iets nieuws – én: het is een eerste oefening in hardop spreken in de klas en dus in spreekvaardigheid. In elke klas zijn er wel een paar leerlingen die het moeilijk vinden om te spreken in de klas, zelfs al gaat het om het voorlezen van antwoorden in je schrift, maar bij dit spel kun je het nooit verkeerd doen. In de eerste les de drempel over!

 

Week 2: tekstsoorten en -doelen

(Nederlands is saaaiiii)

Daarrrrr gaan we weer, het schooljaar is maar net begonnen en deze klas heeft toch écht al de onderbouw gehad, maar het boek biedt weer de droge theorie van de tekstdoelen informeren, overtuigen, opiniëren, amuseren en activeren aan met een volle pagina uitleg (saaaiiii) en één volledige voorbeeldtekst, ja, alwéér een overtuigende tekst, een bewerkte tekst van drie jaar geleden, waardoor leerlingen nog helemaal geen idee hebben van hoe dan een opiniërende of informerende tekst er ‘in het echt’ uitziet. En dan volgt ook net zo’n lange paragraaf om uit te leggen wat tekstsoorten zijn en… GAAP.

Ik geef de leerlingen als huiswerk: neem een krant of tijdschrift mee. Ik haal zelf ook mijn oudpapierbak leeg, ik haal lege A3-vellen uit het kopieerapparaat en kijk of ik nog ergens een lijmstift en schaar heb.

In de les verwijs ik kort naar de theorie in het boek. Ik benadruk dat tekstdoel en tekstsoort twee verschillende aanduidingen zijn: een tekst heeft een doel en behoort tot een soort, een tekst met het doel ‘overtuigen’ kan bijvoorbeeld een betoog zijn, een ingezonden brief, een column.

Daarna geef ik de leerlingen zeker een halfuur de tijd om de volgende opdracht in groepjes van vier personen uit te voeren:

  1. Verzamel bij elk tekstdoel minimaal één tekst als voorbeeld. Knip uit en plak op het A3-vel. Schrijf erbij wat het tekstdoel is.
  2. Verzamel zo veel mogelijk verschillende tekstsoorten. Knip uit, plak op en schrijf erbij welke tekstsoort het is.

Meer instructies geef ik niet, maar tijdens de opdracht loop ik rond om de leerlingen goed actief te houden en tips te geven. Bij de ene klas is het leuk om er wat meer een wedstrijdje van te maken, bij de andere klas krijg je veel serieuze vragen of ligt het tempo lager; dat is allemaal oké. Ik accepteer rumoer en rommel tot op redelijke hoogte en binnen de groepjes tijdens de opdracht. Ik stop op tijd (zeker tien minuten voor het eind van de les) en maak het opruimen onderdeel van de opdracht (‘opruimen, namen opschrijven en inleveren!’).

Het is een simpel, maar effectief idee met veel resultaat: in korte tijd scannen de leerlingen misschien wel tien tot twintig recente, authentieke teksten om doel en soort ervan te bepalen. Daar kan geen lesboek tegenop.

 

Week 3: stijlfiguren

(shake it, shake it, shake it)

Huiswerk? Liever niet. We doen zo veel mogelijk in de les. Voor het vak Nederlands is weinig leerwerk en het maakwerk gebeurt thuis niet altijd onder de juiste omstandigheden – als er al een woordenboek in huis is, is het altijd kwijt, je moeder zegt ‘vraag het je docent maar’, dus dan vraag je in de groepsapp wie in de klas wel de antwoorden op opdracht 2 heeft, en klaar, niets nieuws geleerd. Huiswerkcontrole doe ik dus zelden – want het levert mij geen inzicht in het begrip van de leerling.

In plaats daarvan stel ik regelmatig kleine controlevragen. Ik laat klassen binnenkomen met op het bord een praktische aanwijzing (nodig: Nieuw Nederlands en je schrift, telefoons weg!) en een startvraag. Zodra de eerste leerlingen binnenkomen, start ik de timer in de Powerpoint, nog drie minuten. Ja, zo geef ik leerlingen ook beperkte ruimte om nog even naar wc of kluisje te rennen.

‘De wolken huilen,’ staat er in de startvraag. ‘Wat voor beeldspraak is dit?’ De leerlingen mogen kiezen uit A, B, C, D en ik ga de antwoorden langs, met handopsteken moeten ze laten zien wat ze denken. Ik zie dat veel leerlingen nog geen idee hebben…

Toch huiswerk voor de volgende keer. Aan de slag met beeldspraak en stijlfiguren: herhaling, tegenstelling, drieslag, climax, etc. Ik wil dat ze voor de volgende les een foto hebben van een reclametekst uit een folder of bushokje, met een van die stijlfiguren. ‘Mogen we ook googelen?’ ‘Nee, je komt genoeg reclames tegen als je maar goed om je heen kijkt. En ik bekijk alle foto’s, dus stuur niet aan elkaar door, dat zie ik.’

In de volgende les starten zij met wat leeswerk en ik doe dan de huiswerkcontrole. Ze moeten hun gemaakte foto tonen wanneer ik langsloop. Ik vraag welk stijlfiguur het is, daarna moet de telefoon weer weg. Sommigen hebben alsnog gegoogeld op ‘stijlfiguur drieslag’ en komen met een ‘Heerlijk, helder, Heineken’ uit de vorige eeuw. Anderen hebben een willekeurig stukje tekst uit een reclame gefotografeerd. ‘Ja,’ zegt een jongen, ‘ik ben helemaal omgereden voor dat bushokje, maar ik snap gewoon niet wat een stijlfiguur is.’ Een meisje heeft haar best gedaan en bij maar liefst vier tv-reclames het beeld stilgezet voor een foto. Helaas is daarin ook geen van de recent besproken stijlfiguren te herkennen. Het laat zien hoe moeilijk zij het vinden om zo over taal te denken.

Er zitten ook goede voorbeelden tussen de foto’s. ‘Heel Holland hapt naar Peijnenburg, behalve Leo Veensma.’ ‘Lidl. De hoogste kwaliteit voor de laagste prijs.’ En een videobeeld uit een reclamefilmpje op Instagram zegt: ‘Shake it, shake it, shake it like a Chocomel blikje.’ Aan de leerlingen met mooie voorbeelden vraag ik om de foto direct naar mij te mailen. Aan het eind van de les laat ik die foto’s aan de rest van de klas zien. In korte tijd heb ik alle leerlingen zo persoonlijk feedback gegeven en voor de hele groep heb ik goede voorbeelden verzameld en besproken om hun inzicht te vergroten, met leuk en actueel materiaal. Zinloos huiswerk? Je kunt het wel schudden!

 

Week 4: leeskilometers maken

(de gulden??!!)

Ik maak er geen geheim van dat ik niet zo gelukkig word van methodeteksten. Het doet me denken aan zwemlessen waarbij je op een droge, harde bank de beweging moest gaan oefenen. Het is niet echt, het is niet leuk en je kan toch niet verdrinken. Methodeteksten laten leerlingen droogzwemmen omdat er geen link is met de actualiteit en daardoor al snel niet met hun leefwereld: de tekst heeft geen betekenis voor hen.

Er is een simpele oplossing voor: teksten uit de krant. Het schooljaar was nog maar net begonnen of het leenstelsel kwam groots in het nieuws. Met een draai van de PvdA was er, dankzij de acties van Coalitie-Y, een Kamermeerderheid tegen het leenstelsel ofwel voor afschaffing ervan. Fijn nieuws voor mijn leerlingen in 4 en 5 havo die zo’n beurs goed kunnen gebruiken. Ik benoem in de klas ook nadrukkelijk de rol van Coalitie-Y, hun generatiegenoten die op slimme manieren actiegevoerd hebben. Zoveel kun je bereiken als je goed redeneert, goed verwoordt wat je vindt met een goede onderbouwing. En dát leer je bij Nederlands.

Voor het werken met recente krantenteksten heb ik een opdrachtensetje gemaakt (zie bijlage ‘Tekstopdrachten’ onderaan). In de eerste plaats wil ik dat de leerlingen leeskilometers maken, dat ze teksten op niveau lezen en daar ook iets van leren. Dat leerproces zal bij elke leerling anders zijn, daarom wil ik dat er iets te kiezen valt zodat zij hun leerproces zelf kunnen sturen. Ze mogen kiezen uit vijf verwerkingsopdrachten, variërend van woordenschatuitbreiding tot een wegstreepgedicht. Deze opdrachten zijn dus wel op bijna alle soorten teksten van toepassing en je kunt deze aanpak op allerlei manieren toevoegen aan je lessen: als sponsopdracht, als wekelijkse aanvulling op het gewone lesmateriaal, als steunopdrachten voor NT2’ers, etc.

Maar ik ben zelf erg geneigd om de nieuwsteksten toch klassikaal te behandelen. Bij het leenstelsel kies ik een column van Frank Kalshoven, die argumenten geeft om het leenstelsel te behouden (https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/de-kosten-van-het-leenstelsel-lieve-linkse-vrienden-slaan-in-hoofdzaak-neer-bij-de-bofkonten-van-hun-generatie~bcba2602/). Een slimme leerling wil weten hoe oud Kalshoven is, hoe lang de studiefinanciering al bestaat en of hij dan zelf geprofiteerd heeft van een royalere studiefinanciering. Ik weet natuurlijk niets van studiefinanciering, maar vertel wel iets meer over het oude stelsel, zoals ik dat meemaakte… ik vertel over het studentenleven en, even rekenen, dat was in guldens…

Een meisje roept door de klas: ‘Mevrouw, heeft u de gulden nog meegemaakt?!’

Nu vraag ik alle leerlingen: schrijf op wat jij ervan denkt, met één argument. Ze moeten dit als een simpele zin formuleren, ‘ik ben het ontzettend eens/oneens met Kalshoven, want…’. En ze zullen allemaal straks hun zin voorlezen. Het is niet verrassend dat iedereen het met hem oneens is en dat de meesten de schulden het grootste tegenargument vinden. Maar er zitten een paar pareltjes van andere argumenten tussen en het mooiste is toch dat we in een paar minuten 25 minibetogen hebben geschreven, uitgesproken en gehoord. Dát leer je bij Nederlands.

Tekstopdrachten

Advertenties

Published by:

michellevandijk

Schrijver en leraar Nederlands. Roman: Darko's lessen (2017). Hertaling Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (Louis Couperus) verschijnt in november 2019. www.michellevandijkschrijft.nl

Categorieën Geen categorie